Rond de geboorte komt bij schapen nogal eens lammerensterfte voor. Gemiddeld is dat in Nederland tussen de 10 - 13%. De sterfte vóór de geboorte tot een dag of 3 à 4 na de geboorte, omvat zo'n 8 - 10%. Gedurende de zoogperiode valt er gemiddeld nog eens zo'n 5% uit. Iedere schapenhouder probeert lammerensterfte te voorkomen. Het is gebleken dat, wanneer de geboorte goed begeleid wordt en goede verloskundige hulp geboden kan worden (indien dit gewenst is), het sterftecijfer aanzienlijk omlaag kan.

Waaraan herkent men een schaap dat gaat lammeren?

De draagtijd van een schaap is ongeveer 145 dagen (5 maanden - 5 dagen). Indien een schaap aangeeft te gaan lammeren, is het vaak wat onrustig. Het gaat liggen en staan, krabt met de voorpoten, draait rond, zondert zich af en af en toe worden wat persbewegingen waargenomen. Dit onrustige gedrag vindt plaats tijdens de zogenaamde 'ontsluitingsfase'. Tijdens deze fase gaat de baarmoedermond open, wordt de waterblaas uitgedreven en de geboorteweg langzaam opgerekt. Het einde van de ontsluitingsfase is bereikt wanneer de waterblaas is 'geboren'. Hierna vindt de werkelijke geboorte plaats. De baarmoeder trekt zich steeds vaker en krachtiger samen. De geboorte van het lam laat nu niet lang meer op zich wachten. Als er sprake is van een tweede lam zal dit, in de meeste gevallen, binnen het uur na de eerste geboren worden.

Wanneer is er hulp bij de geboorte nodig?

Dat is een moeilijk te beantwoorden vraag, omdat vooral de duur van de eigenlijke geboorte van de lammeren per ooi verschilt. Zeker de helft van de ooien zal binnen de twee uur hebben gelamd. Dit houdt echter niet in dat het abnormaal is wanneer een ooi er langer over doet. De totale duur van de uitdrijving van de lammeren is sterk afhankelijk van het aantal en de grootte van de lammeren. Ooien welke voor de eerste keer lammeren hebben meer tijd nodig voor het oprekken van de geboorteweg. Wanneer bij elke uitdrijving, welke langer duurt dan twee uur wordt ingegrepen, dan doet dat meer kwaad dan goed. Het is verstandig de ontsluitingsfase en de uitdrijvingsfase apart te bezien en afhankelijk van de omstandigheden te handelen.

Het volgende kan een hulp zijn bij uw handelen:

  • Duurt de ontsluitingsfase tot het moment waarop de waterblaas zichtbaar wordt, langer dan 3 uur, dan is het verstandig te controleren wat de oorzaak kan zijn.
  • Komt de buikpers niet op gang binnen een uur na het verschijnen van de waterblaas of worden er ondanks buikpers geen vruchtdelen zichtbaar, dan is controle aan te raden.
  • Wanneer de uitdrijving van het eerste lam in een kennelijk normale geboortehouding, met twee pootjes en de neus daarop, langer duurt dan 1,5 uur, terwijl de ooi toch voldoende perst, dan wordt hulp geboden.
  • Bij een afwijkende geboortehouding, b.v. wanneer de kop en maar één klauwtje zichtbaar is, moet dat lam binnen een half uur worden uitgedreven, zoniet, dan helpen we.
  • Komt alleen de kop naar buiten, dan mag het hoogstens een kwartier duren. Het is overigens heel normaal dat ook lammeren met een afwijkende geboortehouding, normaal geboren kunnen worden. Of dat ook lukt hangt meestal af van de grootte van het lam.
  • Ligt een lam in normale stuitligging en worden de achterpoten tot aan de knieën zichtbaar, dan moet meteen hulp geboden worden, daar het lam anders zuurstofgebrek kan krijgen als gevolg van het afknevelen van de navelstreng.
  • Liggen bij een stuitligging de achterpootjes verkeerd, dan wordt dat meteen onderzocht en verholpen, omdat zulke lammeren meestal niet spontaan worden uitgedreven. Soms ziet men alleen maar een pootje of het staartje.

Afwijkende liggingen kunnen ook ontstaan wanneer het lam al vóór de geboorte is overleden. Zo'n lam kan zichzelf dus niet meer actief strekken tot een normale geboortehouding. Zelfverwijt is hier niet op zijn plaats.

Additional information